Familie

Ramadan begint vóór de maan wordt gezien

De maand Ramadan is inmiddels begonnen. In veel gezinnen zijn de roosters aangepast en de eerste vastendagen achter de rug. Minder vanzelfsprekend is de vraag wat deze maand innerlijk zou moeten betekenen voor een gezin. Dit artikel opent een reeks van vier artikelen deze maand en maakt duidelijk dat de kern van Ramadan begint bij hartsvorming, nog vóór gedragsregels. Vanuit de Koran, klassieke geleerden en de profetische praktijk bieden we richting voor een bewuste, pedagogische voorbereiding binnen het gezin.

Innerlijke voorbereiding in het gezin
In veel gezinnen begint Ramadan met een boodschappenlijst, aangepaste slaaptijden en nieuwe dagschema’s. Er wordt nagedacht over wat er gegeten wordt, hoe laat er wordt gebeden en hoe iedereen het gaat volhouden. Wat vaak ontbreekt, is het gesprek dat hieraan vooraf zou moeten gaan: het gesprek over waarom we vasten. Kinderen voelen haarfijn aan wanneer regels sneller komen dan betekenis. Ze ervaren dan vooral dat er iets wordt afgenomen, niet dat er iets wordt opgebouwd. “Je mag niets” klinkt luider dan “er mag iets met je hart gebeuren”.

Dat is opvallend, want voor de eerste generatie moslims – mannen én vrouwen – was Ramadan geen maand van regels, maar een periode van vorming. Een maand waarin het hart werd aangescherpt, het karakter geoefend en het gezin bewust werd meegenomen in aanbidding. Ramadan werd niet ondergaan, maar voorbereid.

De centrale vraag is daarom niet of onze kinderen het vasten volhouden, maar wat het vasten met hen dóét. Want wie Ramadan start bij regels zonder innerlijke uitleg, creëert uiterlijke gehoorzaamheid zonder betekenis.

Vasten in de Koran: doel vóór regel
De Koran spreekt ongewoon duidelijk over het vasten. Allah zegt dat het vasten is voorgeschreven “opdat jullie taqwaa zullen ontwikkelen”.[1] Het doel is niet honger, maar taqwaa: een innerlijke staat van bewustzijn, morele alertheid en nabijheid tot Allah. En in hetzelfde kader wordt Ramadan omschreven als de maand waarin de Koran is neergezonden als leiding voor de mensen.[2] Ramadan is daarmee niet slechts een kalendermaand, maar een context van openbaring en heroriëntatie.

In Ibn Kathier’s uitleg bij deze verzen wordt dit expliciet gemaakt.[3] Vasten is geen doel op zichzelf, maar een middel dat het hart ontvankelijk maakt voor leiding. Wanneer de Koran zelf het doel zo helder benoemt, hoort dit doel ook thuis in onze opvoedtaal. Als aan tafel alleen wordt gezegd dat er niet gegeten mag worden, maar nooit wordt uitgelegd hoe vasten het hart verfijnt, blijft het wezenlijke deel van het vers buiten beeld.

Voor gezinnen betekent dit dat de volgorde allesbepalend is: eerst betekenis, dan regel. Eerst het doel, dan de vorm.

Innerlijke voorbereiding volgens klassieke geleerden
Klassieke geleerden spraken uitgebreid over vasten als innerlijke training, niet als lichamelijke beproeving.  Ibn al-Qayyim beschrijft vasten als een oefening in wilskracht, intentie en loskomen van directe begeerten.[4] Het vasten leert de mens zichzelf kennen: waar wordt hij ongeduldig, waar zoekt hij troost, waar ligt zijn werkelijke hechting? In opvoeding betekent dit dat ouders kinderen kunnen helpen woorden te geven aan hun intentie. Niet alleen: “Ik vast omdat het moet”, maar: “Ik vast om te leren mezelf te beheersen” of “om Allah meer te gedenken”. Zo verschuift de opvoedtaal van controle naar bewustwording.

Al-Ghazaalie waarschuwt in de Iḥyaa’ voor daden zonder innerlijke staat.[5] Een handeling kan uiterlijk correct zijn en toch leeg blijven wanneer het hart afwezig is. Voor kinderen en jongeren is dit cruciaal. Wanneer vasten wordt gepresenteerd als een ‘challenge’, blijft het oppervlakkig. Wanneer het wordt verbonden aan reflectie, karakter en relatie met Allah, krijgt het diepte. Dat vraagt geen extra regels, maar meer uitleg, vragen en gezamenlijke momenten van stilstand. Samen laten deze stemmen zien dat Ramadan voorbereiding vraagt, niet alleen planning.

Mohammed ﷺ en de profetische pedagogiek in het gezin
De manier waarop de profeet ﷺ Ramadan benaderde, laat zien hoe innerlijke vorming in het gezin eruitziet. Hij wekte verlangen, geen angst. Hij sprak over hoop, vergeving en nabijheid tot Allah. In de laatste tien nachten van Ramadan maakte hij zijn gezin actief wakker, betrok hen bij het nachtgebed en intensiveerde de spirituele sfeer in huis.[6] Dat was geen individuele zoektocht, maar een gezinsproces.

Veel van wat wij hierover weten, is overgeleverd door Aisha[7]. Zij beschreef zijn nachtelijke aanbidding, zijn toewijding én zijn zachtheid.[8] Zij was geen toeschouwer, maar een kennisdrager. Via haar kregen latere generaties inzicht in vasten, nachtgebed en gezinsleven in Ramadan. Dit onderstreept dat vrouwen vanaf het begin primaire doorgevers waren van Ramadancultuur.

Ook Khadiedjah bint Khuwailid[9] laat zien hoe essentieel vrouwelijke steun is in spirituele vorming. Haar rol bestond niet uit rituelen alleen, maar uit emotionele veiligheid, geloofsversterking en praktische ondersteuning. Zij creëerde ruimte waarin aanbidding kon groeien.[10] Dat is een blauwdruk voor partnerschap in Ramadan: geestelijke groei gedijt bij rust, steun en vertrouwen.

Deze voorbeelden maken duidelijk dat vrouwen geen randfiguren zijn in Ramadan, maar dragers van de spirituele sfeer in huis. Zonen én dochters hebben mannelijke én vrouwelijke voorbeelden nodig die laten zien hoe je met zachtheid en bewustzijn door deze maand gaat.

De ṣaḥaabah en motivatie: verlangen vóór prestatie
De metgezellen van de profeet ﷺ, mannen én vrouwen, spraken over Ramadan als een unieke kans. Overleveringen beschrijven hoe zij Allah maanden vóór Ramadan vroegen om hen deze maand te laten bereiken, en erna om acceptatie van hun daden.[11] Hun motivatie lag niet in prestatie, maar in liefde voor Allah en verbondenheid met Zijn Boodschapper ﷺ. Die liefde maakte dat zij zijn zachte omgang met zijn gezin wilden navolgen.

Psychologisch gezien is dit krachtig. Motivatie groeit wanneer gedrag verbonden is aan liefde, betekenis en voorbeeld. Wanneer gezinnen Ramadan samen benaderen als een kans om dichter bij Allah en bij elkaar te komen, ontstaat intrinsieke motivatie. Honger wordt dan gekoppeld aan empathie en dankbaarheid, niet alleen aan ongemak.

Zonder innerlijke voorbereiding wordt vasten een prestatietest. Met innerlijke voorbereiding wordt het een karaktertraining.

Praktische voorbereiding in het gezin
Innerlijke voorbereiding hoeft niet groots of ingewikkeld te zijn. Kleine stappen vóór Ramadan maken een wezenlijk verschil.

Een eerste stap is een gezinsgesprek over het doel. Wat betekent het om dichter bij Allah te zijn? Ouders doen er goed aan zelf kwetsbaar te delen wat zij hopen te ontwikkelen in Ramadan.

Een tweede stap is een gezamenlijke intentie. Eén of twee gezinsdoelen volstaan. Bijvoorbeeld: elkaar helpen op moeilijke momenten, of elke dag bewust één goede daad verrichten. Door dit zichtbaar te maken, wordt het onderdeel van het dagelijks leven.

Een derde stap is het creëren van rituelen van verlangen. Lees korte verhalen over Ramadan uit de Sunnah, plan een vast gezinsmoment waar iedereen naar uitkijkt, en betrek ook jonge of niet-vastende kinderen bij intentie en goede daden. Zij horen erbij.

Wat zal je kind zich herinneren?
Over tien of twintig jaar zal je kind Ramadan herinneren als de maand waarin het vooral niet mocht eten, of als de maand waarin het gezin dichter bij Allah en dichter bij elkaar kwam. Die herinnering wordt niet gevormd door het aantal vastendagen, maar door de sfeer, de gesprekken en de betekenis die werd meegegeven.

De Koran, de uitleg van Ibn Kathier, Ibn al-Qayyim en al-Ghazaalie, en het voorbeeld van de profeet Mohammed ﷺ en zijn gezin leren ons dat Ramadan niet begint met regels, maar met een hart dat begrijpt waarom.

Ramadan begint niet bij de eerste dageraad, maar bij het eerste gesprek dat jij met je kind voert over wat Allah met jullie harten wil doen.

[1] Soerah al-Baqarah, ayah 183.

[2] Soerah, al-Baqarah ayah 185.

[3] Ibn Kathier, Tafsier al-Qur’aan al-‘Adhiem, tafsier van al-Baqarah, ayah 183–185.

[4] Ibn al-Qayyim, Zaad al-Ma’aad fie Haadi Khair al-‘Ibaad; idem, Madaaridj as-Saalikien, passages over ṣawm en niyyah.

[5] Al-Ghazaalie, Iḥyaa ‘Uloem ad-Dien, Kitaab Asraar as-Ṣawm.

[6] Ṣaḥieḥ al-Bukhaarie, 2024; Ṣaḥieḥ Muslim, 1174.

[7] Raḍiyallaahu ‘anhaa

[8] Ṣaḥieḥ al-Bukhaarie; Ṣaḥieḥ Muslim, overleveringen via ‘Aaishah (raḍiyallaahu ‘anhaa).

[9] Raḍiyallaahu ‘anhaa

[10] Ibn Hishaam, as-Sierah an-Nabawiyyah; Ibn Sa’d, aṭ-Ṭabaqaat al-Kubraa.

[11] Ibn Rajab al-Ḥanbalie, Laṭaa’if al-Ma’aarif, hoofdstuk over voorbereiding op Ramadan.


Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Dit veld is verborgen bij het bekijken van het formulier
Dit veld is verborgen bij het bekijken van het formulier
Dit veld is verborgen bij het bekijken van het formulier
Vond je dit artikel nuttig?

To top

Middels cookies kunnen wij onze diensten verbeteren. Accepteer ons cookie-beleid en help ons vooruit! Meer informatie