Hoe mijn aanbiddingen een ziel kregen

Leestijd 10 minuten
Artikelbanner

Lopen om een stenen gebouw, stenen gooien naar een pilaar of stenen muur, lopen van de ene berg naar de andere, ergens blijven overnachten en dan weer ergens anders blijven staan. Allemaal handelingen waardoor er tijdens de hadj een gevoel bij me opkwam, een gevoel dat riep: “Wat ben ik eigenlijk aan het doen?!” Want zou het niet raar zijn als je op straat iemand tegenkomt, die eventjes drie keer om een willekeurige pilaar heen loopt of een paar keer met zijn hand tegen een boom slaat en dingen zegt?!

Het was een vraag die mij dieper deed nadenken over de rituelen van de hadj en over andere rituelen zoals het bidden en het vasten.

 

Mijn aanbiddingen waren zielloos

Het had enige tijd nodig om tot de conclusie te komen dat mijn ibaadah (aanbiddingen) dood en zielloos waren. Het verklaarde veel voor mij en had mij min of meer wakker geschud. Daden die niets meer zijn dan een lichamelijke inspanning zijn even vruchteloos als een zielloos lichaam. Ik kan me voorstellen dat het hard klinkt, maar dat is de realiteit; het is namelijk overgeleverd dat sommige vastenden niets van hun vasten overhouden, behalve honger en dorst en dat een biddende niets overhoudt van zijn gebed, behalve de kleine momenten wanneer hij bij bewustzijn is.

Dat had mij (jammergenoeg pas achteraf) ertoe aangezet om te onderzoeken wat de hadj met mij had moeten doen. Met dit artikel wil ik de lezers aansporen hetzelfde te doen. En omdat nadenken over onze aanbiddingen niet mogelijk is zonder kennis van de relevante achtergrondverhalen, zet ik in dit artikel graag kort en overzichtelijk de achtergrondverhalen van de hadj en het offerfeest uiteen.

 

 

Verhaal 1: De hadj en de familie van Ibrahim

De meeste rituelen van de hadj hebben een sterk verband met het historische verhaal van een gezegend gezin. Een gezin zo gezegend, dat het voor iedere moslim verplicht is om er dagelijks herhaaldelijk doe’a voor te doen. In elk gebed spreken wij namelijk de salaat en salaam uit voor het gezin van de profeet Ibrahim – de Aali Ibrahim.

Het is een gezin dat een geweldig voorbeeld is voor de gelovigen. Allah openbaart ons, dat de profeet Ibrahim (v.z.m.h.) en zijn vrouw Sara oud waren geworden, maar hun kinderwens niet los konden laten. Sara kon door haar ouderdom vrijwel zeker geen kind meer krijgen, maar voor Ibrahim (v.z.m.h.) was het nog mogelijk. Daarom koos Sara ervoor om haar bediende, Hadjar (Hagar) aan te bieden als vrouw voor Ibrahim (v.z.m.h.). Hadjar raakte zwanger en kreeg een gezegende baby, genaamd Ismaa’iel.

Hadjar en haar volledige vertrouwen in Allah

Er is tot zover nog geen spanning in het verhaal. Maar dat verandert op het moment dat de liefdevolle vader Ibrahim (v.z.m.h.), besloot zijn vrouw Hadjar en haar zuigeling Ismaa’iel mee te nemen op reis. Een reis die lang duurde. Zij legden grote afstanden af via woeste, droge woestijnen. Heuvel op en heuvel af, even uitrusten en dan weer verder, totdat zij ergens aankwamen waar geen teken van leven waarneembaar was. Hij gaf zijn vrouw wat te eten en te drinken en vertrok zonder om te kijken! Hadjar vroeg hem herhaaldelijk verbaasd: “Ga je ons hier achterlaten?” Maar hij gaf geen antwoord.

Hadjar vroeg hem: “Doe je dat omdat Allah dat van jou vraagt?”

Ibrahim v.z.m.h. bevestigde haar vermoeden: “Ja.”

Het was een opdracht van Allah.

De wijze vrome vrouw zei met volle vertrouwen in Allah: “Dan zal Allah ons niet in de steek laten”.

 

Hadjar stond alleen met haar baby Ismaa’iel in een leeg land; het enige dak boven hen was de hemel, de enige grond onder hen was het zand en ze waren omringd door somber uitziende bergen… Verder was er niets te zien. Er was niets te beleven en geen kans van overleven.

Hadjar had er vertrouwen in dat het goed zou komen, maar zij wist ook dat een mens moeite hoort te doen om naar de gunsten van Allah te zoeken. De gunsten van Allah zijn voor jou gereserveerd, maar je moet ernaar op zoek gaan en deze vervolgens vastpakken. Dat was de essentie van tawakkoel (vertrouwen op Allah) zoals haar man haar dat had geleerd.

Ze kwam in actie, ongeacht de omstandigheden, die geen ruimte gaven voor een glimp van hoop. Maar Allah is de Schepper van middelen en de Schenker van succes en de Enige Helper in moeilijkheden. Terwijl haar machteloze baby Ismaa’iel  op de grond lag, liep ze naar een berg, stond op de top en keek in de verte of er teken van leven was. Ze liep gauw naar beneden toe, terug naar haar baby. Daarna liep ze naar een berg aan de andere kant, stond weer op de top en keek in de verte of er teken van leven was. Wederom liep ze naar beneden toe, terug naar haar baby.

Dat deed zij zeven keer. Deze twee bergen hebben de naam ‘Safa’ en ‘Marwa’. Lopen tussen de Safa en de Marwa (Sa’ie) is een van de rituelen van de hadj. Kun jij je dan voorstellen wat voor belangrijke leringen uit zo’n handeling te halen zijn en watvoor indruk dat zou moeten achterlaten bij jou als hadji op dat moment?

De redding voor onze moeder Hadjar en haar kind kwam niet uit de verte waar zij steeds naar keek, maar juist van onder de voeten van de kleine Ismaa’iel. Allah is de enige die bepaalt waar, wanneer en hoe de verlossing komt.

 

…وَمَن يَتَّقِ اللَّهَ يَجْعَل لَّهُ مَخْرَجًا ‎﴿٢﴾‏ وَيَرْزُقْهُ مِنْ حَيْثُ لَا يَحْتَسِبُ…

 

(…) En wie Allah vreest, die zal Hij een uitweg verschaffen. (2) En Hij zal in zijn levensonderhoud voorzien vanwaar hij er niet op rekent (…)[1]

 

In de stilte van de woestijn, die alleen verstoord werd door het zachte gefluit van de wind, hoorde Hadjar een aangenaam geluid. Het geluid was niet aangenaam door de mooie klank, maar door de associatie die ermee gemaakt kan worden. Het was het geluid van het leven: “…en Wij hebben uit water al het levende gemaakt.”[2] Het was het geluid van het springende water uit de Zamzam-bron. Zo begrijp je dat het soennah is om na de ‘Sa’ie’ tussen Safa en Marwa, Zamzam-water te gaan drinken. Het uitvoeren van dit ritueel is het in de voetsporen treden van een gezegende vrouw, de moeder der gelovigen Hadjar, vrede zij met haar en haar gezin.

 

Zekerheid en stabiliteit ontstonden toen er een karavaan bij de bron aankwam waarvan de reizigers Hadjar verzochten om te mogen blijven. Hadjar accepteerde het, maar benadrukte dat zij de eigenaar is van de waterbron en zo garandeerde zij haar positie en bron van inkomsten voor haar en haar kind Ismaa’iel. Een slimme en wijze vrouw die gebruik wist te maken van de mogelijkheden die Allah haar had gegeven.

 

Het was het plan van Allah om uitgerekend deze plaats voor hen uit te kiezen. Wat Hadjar niet wist, is dat deze plaats gezegend is en gezegend zal blijven tot de aarde vergaat. Dat begrijpen wij uit de smeekbede van profeet Ibrahim toen hij hen achterliet:

 

رَّبَّنَا إِنِّي أَسْكَنتُ مِن ذُرِّيَّتِي بِوَادٍ غَيْرِ ذِي زَرْعٍ عِندَ بَيْتِكَ الْمُحَرَّمِ رَبَّنَا لِيُقِيمُوا الصَّلَاةَ فَاجْعَلْ أَفْئِدَةً مِّنَ النَّاسِ تَهْوِي إِلَيْهِمْ وَارْزُقْهُم مِّنَ الثَّمَرَاتِ لَعَلَّهُمْ يَشْكُرُونَ ‎﴿٣٧﴾

 

“Onze Heer! Voorwaar, ik heb mijn kinderen achtergelaten in een onbegroeide vallei bij Uw gewijde huis. Onze Heer! (ik liet hen achter) zodat zij de salaat zullen onderhouden, laat daarom de harten van de mensen tot hen neigen, en voorzie hen van vruchten. Hopelijk zullen zij dankbaar zijn.”[3]

 

Verhaal 2: Ismaa’iel, de beproeving en het offerfeest

 

“Voorwaar, dat is zeker de duidelijke beproeving.”[4]

 

Wij mensen willen graag nakomelingen. Dat zit in ons instinct. Maar vroeger was het ook zo dat nakomelingen hun ouders onderhielden wanneer die te oud waren om voor zichzelf te zorgen. Profeten vroegen hun nakomelingen veelal om hen bij te staan op de weg van de da’wah (het verkondigen van de islam). Allah had de profeet Ibrahim (v.z.m.h.) begunstigd met diens zoon Ismaa’iel, waarop hij meer dan 80 jaar had gewacht. Ismaa’iel groeide op in de heilige stad Mekka en werd opgevoed door zijn vrome en wijze moeder, Hadjar. Ibrahim (v.z.m.h.) heeft zijn kind zien opgroeien en sterk en verantwoordelijk zien worden. Zijn dromen kwamen bijna uit en hij zag zijn plannen realiteit worden. Maar toen Ismaa’iel volgroeid was, brak het moment aan dat hen een geweldige beproeving tegemoet kwam.

 

Ibrahim v.z.m.h. zag in zijn droom dat hij Ismaa’iel offerde. En omdat dromen van profeten Goddelijke opdrachten waren, aarzelde de profeet Ibrahim (v.z.m.h.) niet om ten uitvoer te brengen wat hij had gezien, hoe zwaar dat ook was.

 

Hij informeerde Ismaa’iel: “Ik zag in mijn droom dat ik jou offerde, kijk maar wat je ervan vindt”[5].

Ismaa’iel toonde net zo’n hoge toewijding als zijn vader, aarzelde niet en antwoordde: “Mijn vader, doe wat jou bevolen is.”[6]

 

Dit moment van het verhaal blijft mijn nafs (ego) exposen voor mijn ogen; hoe zit het met míjn gehoorzaamheid jegens mijn Heer (s.w.t.)? Wat is meer geliefd voor mij: hetgeen wat Allah van mij Wilt, of hetgeen ik graag voor mijzelf wil? Hetgeen wat Allah van mij Wilt is alleen maar goed en vol profijt en positiviteit, al lijkt het voor mij soms anders. Hetgene wat ik daarentegen voor mezelf wil, kan mij in veel gevallen leiden naar het verkeerde pad en kan negatieve gevolgen hebben.

 

De Profeet Ibrahim (v.z.m.h.) en zijn zoon Ismaa’iel liepen naar de plaats waar het offeren plaats zou vinden. De vader sleep zijn mes en haalde het over de keel van Ismaa’iel. Hij, Allah, Die het vuur ooit de mogelijkheid had ontnomen te branden,[7] ontnam het mes de mogelijkheid te snijden. Hij, Allah s.w.t. had de profeten Ibrahim en Ismaa’iel (v.z.m.h.) tot het uiterste beproefd, zodat het een leermoment blijft voor alle gelovigen tot de Dag des Oordeels. Je zorgt voor een hoge positie bij Allah wanneer je volhardt tot het uiterste in tijden van beproeving en niet wanneer je vanaf het begin al afvalt.

 

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ الْبَلَاءُ الْمُبِينُ

وَفَدَيْنَاهُ بِذِبْحٍ عَظِيمٍ

 

“Voorwaar, dat is zeker de duidelijke beproeving.

En Wij gaven hem ter vervanging een groot offerdier.”[8]

 

Dat is het verhaal van het offerdier, dat wij ieder jaar laten slachten. Het is heel jammer dat de meesten in onze gemeenschap het slachten van een eigen offer niet meemaken, waarbij hun harten op dat moment zeggen: “O Allah, hierbij mijn offer als gebaar van opoffering. Ik offer mijn eigen wil op wanneer het tegenover Uw Wil[9] staat, zonder aarzelen of treuzelen.”

 

Middels deze twee achtergrondverhalen, nodig ik iedere lezer uit om zowel deze, als alle andere verhalen uit de Koran en de Soennah diep te overpeinzen. We moeten begrijpen dat die verhalen er niet zijn om ons te vermaken, maar om ervan te leren en om in de voetsporen van de geliefden van Allah te treden. Daarbij gaat het vooral om het niet zielloos verrichten van onze aanbiddingen en handelingen, opdat wij steeds dichter bij onze Schepper komen, door onze innerlijke kwaliteiten te verbeteren en de juiste mindset te hebben. Als wij dat niet doen zullen onze aanbiddingen weinig effect hebben.

 

[1] Koran hoofdstuk 65 At-Talaaq, een deel uit vers 2 en 3

[2] Koran hoofdstuk 21 Al-Anbiyaa’ een deel uit vers 30

[3] Koran hoofdstuk 14  Ibraahiem vers 37

[4] Koran 37:106

[5] Koran hoofdstuk 37  As-Saaffaat deel van vers 102

[6] Koran hoofdstuk 37  As-Saaffaat deel van vers 102

[7] Koran hoofdstuk 21  Al-Anbiyaa’  verzen 68-69

[8] Koran hoofdstuk 37  As-Saaffaat verzen 106 en 107

[9] De (Shar’ie-wil) en niet de (Qadarie-wil). Shar’ie-wil is wat Allah van Zijn dienaren vraagt. Qadarie-wil is wat Allah wil dat het gebeurt.

Ook interessant!